
Praten met je mond vol
16 oktober 2005

Op zaterdagochtend bij de bakker komen altijd opvallend veel mannen brood kopen. Het is de enige keer in de week dat zij boodschappen doen, behoudens een aantal senioren die iedere dag de tocht naar het oude winkeltje maken. Voor hen is het ‘eventjes eruit’. Niet voor de moderne vaders die met het briefje van hun moderne vrouw in de hand geklemd, ietwat onwennig het bakkersdomein betreden. Zij hoeven maar een keer per week er ‘eventjes uit naar de bakker’.
Mijn aandacht wordt getrokken door een jonge vader, met krullend haar en casual kleding. Ook hij heeft in zijn hand een briefje geklemd en om hem heen drentelen twee kinderen, een jongen en een meisje. Moeder heeft het gezin op pad gestuurd en slaapt zelf uit of kookt alvast de eitjes.
Terwijl vader op zijn beurt wacht, hebben de kinderen belangstelling voor alles wat er in de vitrine ligt.
‘Kijk,’ zegt het meisje, ‘chocolaatjes die oma zo lekker vindt en krentenbollen.’
‘Hier zijn de kwazands,’ wijst haar broertje. Hij gaat op zijn tenen staan, want achter de toonbank staat de snijmachine. Daar gebeurt iets gevaarlijks en dat wil hij zien.
‘Pap,’ zegt hij, ‘ik kan het niet zien! Ik wil die masjien zien.’
‘Huh wat?’ Vader reageert nog wat slaperig, maar hij wimpelt zijn zoon niet af.
‘Kom maar,’ zegt hij en fier tilt hij het kind op zijn schouders. De jongen vindt het prachtig. Hij bekijkt vol ontzag de snijmachine, de kassa en verder alles wat er achter de toonbank gebeurt.
Het winkelmeisje vindt het wel leuk dat het jochie alles vanuit de hoogte bekijkt.
‘Wil jij een bolletje?’ vraagt ze.
Het jongetje knikt. Hij krijgt een wit bolletje van het winkelmeisje.
‘Alsjeblieft.’ zegt ze.
Het kind zwijgt, terwijl het grote stukken brood in zijn mond propt, maar zijn vader vindt dat niet juist.
‘Wat zeg je dan?’ vraagt zijn vader, ‘wat zeg je als je iets krijgt?’ Hij krijgt geen antwoord.
‘Als je iets krijgt, van iemand, dan zeg je toch dank je wel? dringt de vader aan. Het is duidelijk, hier maakt de gezellige vader plaats voor de strenge opvoeder. Normen en waarden horen bijgebracht te worden en wel zo snel en zo jong mogelijk.
‘Als je iets krijgt, zeg je dank je wel! Dat weet je toch.’ Het winkelmeisje geeft het zusje snel een bolletje en wil door met de volgende klant, maar ze kijkt beleefd nog even naar de vader en zijn zoontje.
‘Dus wat zeg je dan? Als je een bolletje krijgt? Wat zeg je dan tegen de winkeljuffrouw?’
De jongen haalt adem en zucht.
‘Nou?’ De vader klinkt nu ongeduldig. ‘Wat zeg je dan?’
De jongen haalt adem en dan, terwijl het brood op vaders hoofd belandt, klinkt het heel ongeduldig: ‘Ik mag toch niet praten met mijn mond vol?’